Spiritualiteit van Augustinus belicht door T.J. Van Bavel

We beperken ons hier tot de meest in het oog springende thema’s in het rijke religieus gedachtengoed van Augustinus.

Schematisch overzicht van wat volgt:
I. Primaatschap van de liefde

  • Liefde en het echte geluk
  • Liefde is de hele boodschap van de Bijbel
  • Liefhebben met de liefde van God
  • De tijdelijke voorrang van de naastenliefde

II. De hele Christus

  • Tezamen één lichaam
  • Eer God in elkaar (Regel van Augustinus)
  • Christus in de armen
  • Keuze voor de armen

III. Vriendschap en leven in gemeenschap

  • Wederzijdse liefde
  • Grenzen van de menselijke vriendschap
  • Vriendschap in het religieuze leven
  • De invloed van Augustinus’ vriendschapsideaal

IV. Contemplatie en actie

  • Drie levenswijzen
  • Het actieve leven als groter gevaar
  • Christen en dienaar
  • Maria en Marta

 

I. Het primaatschap van de liefde

1. Liefde en het echte geluk
Augustinus’ werken beginnen met de vraag hoe een mens het ware geluk kan vinden. Er is niemand die niet verlangt om gelukkig te zijn. Maar verlangen heeft te maken met liefde, want niemand verlangt iets waarvan hij niet houdt. Liefde bestaat erin één te willen worden met het geliefde voorwerp. Maar niet ieder voorwerp waarvan men houdt, maakt iemand ook gelukkig. Alleen een eeuwigdurend en onvergankelijk goed kan ons echt gelukkig maken, want alleen zo’n goed sluit iedere vrees voor verlies van het beminde uit. Daarom kan alleen God zo’n geluk waarborgen. De liefde verenigt ons met God als ons eeuwig en blijvend goed. Dit gebeurt volgens het beginsel dat een mens wordt wat hij bemint: “Heeft hij de aarde lief, dan zal hij aarde worden; heeft hij de eeuwige God lief, dan zal hij binnentreden in Gods eeuwigheid”.

2. Liefde is de hele boodschap van de bijbel
Volgens Augustinus kan men de hele boodschap van de bijbel samenvatten in twee geboden: liefde tot God en liefde tot de evenmens. Hij schrijft: “Mijn hoop op de naam van Christus is niet onvruchtbaar, want ik geloof niet alleen, mijn God, dat van deze twee liefde-geboden de hele Wet en de Profeten afhangen, maar ik heb ook ervaren en ervaar nog elke dag, dat geen enkel geheimzinnig of moeilijk woord van de heilige Schrift voor mij duidelijk wordt, zolang ik het niet beschouw in het licht van deze twee geboden”. Augustinus volgt hier trouw de gedachtegang van Paulus: Liefde is de vervulling van de Wet (Rom. 13,10) en: Het einddoel van alle onderricht is de liefde (1 Tim. 1,5). Het woord “einddoel” betekent niet dat de liefde een einde maakt aan alle andere voorschriften of die afschaft, maar wel dat de liefde de voltooiing is waaraan elk gebod moet gemeten worden en ertoe terug te brengen is. Wat hier van de liefde gezegd is, is niet alleen kenmerkend voor het Nieuwe Testament, maar ook voor het Oude. Daaruit volgt dat het woord van Christus “Ik geef u een nieuw gebod: heb elkaar lief zoals ik u heb liefgehad” (Joh. 13,34) niet alleen de apostelen en ons vernieuwt, maar ook alle aartsvaders, profeten en rechtvaardigen die leefden in de periode van het eerste Verbond.

3. Liefhebben met de liefde van God
God is liefde. In zover God zich openbaart als goed en vol erbarming, openbaart Hij zich als liefde. Voor ons betekent dit een aansporing, een vraag en tenslotte een gebod om de mensen zo lief te hebben zoals God ze liefheeft. De hoogste vorm van liefde voor onze broeders en zusters bestaat erin hen lief te hebben met de liefde van God, die ons geschonken is door de heilige Geest. Zo is onze liefde een deelname aan de liefde van God, die alle mensen omvat, zelfs tot onze vijanden. Onze liefde moet de liefde van God weerspiegelen. Wanneer Augustinus over liefde spreekt, dan ziet hij liefde als een goddelijk geschenk, dat onze wil met een nieuw verlangen begiftigt: een streven naar goddelijke waarheid, naar wijsheid, vrede en rechtvaardigheid. Met zo’n liefde beminnen sluit alles uit wat zondig is, namelijk egoïsme, hebzucht, trots, aanmatiging, zelfingenomenheid, eigen roem, het zoeken van eigen voordeel. Het feit dat liefde een geschenk van God is, stemt overeen met de voorrang van onze liefde tot God, want Hij alleen kan zichzelf aan ons geven. Hij heeft ons het eerst bemind. Maar hetzelfde beginsel is van toepassing op onze liefde tot de naaste, want het is de heilige Geest die ons aanzet om de mens naast ons lief te hebben. Volgens Augustinus is een louter natuurlijke liefde voor elkaar niet genoeg, want dan zouden we al te gemakkelijk God als ons hoogste goed verwaarlozen. Anderen beminnen als onszelf betekent dat de anderen hun geluk zouden vinden waar wijzelf het vinden, namelijk in God. Dat is het hoogste dat wij elkaar kunnen wensen. Slechts in dit licht kunnen we Augustinus’ bekende uitspraak juist verstaan: “Bemin, en doe dan wat je wilt, want uit die wortel kan niets dan goed ontspringen“. Liefde is het moeilijkste gebod dat wij gekregen hebben. Het betekent immers dat we nooit vrij zijn om alleen maar te doen wat wij graag willen, zonder rekening te houden met anderen.

4. De tijdelijke voorrang van de naastenliefde
Op grond van voorgaande overwegingen verdedigt Augustinus een tijdelijke voorrang van de naastenliefde. Met tijdelijke voorrang bedoelt hij dat wij dat hier op aarde, zolang wij ons kunnen en moeten bekommeren om onze medemensen, de naastenliefde voorafgaat aan de liefde tot God. Het is waar, zegt Augustinus, dat de liefde tot God als gebod het eerst komt, maar evenzeer dat de liefde tot de naaste in de praktijk, in de orde van uitvoering, op de eerste plaats komt. Om God lief te hebben moeten we beginnen met het beminnen van de mens naast ons: “Aan deze geboden moeten we steeds opnieuw denken, ze overwegen, ze in acht nemen, ernaar handelen, ze vervullen. De liefde tot God komt eerst in de ordening van de geboden, maar de liefde tot de naaste komt het eerst in de orde van het handelen. Naarmate je jouw naaste bemint en je bekommer om hem, maak je vooruitgang. Waarheen zou je kunnen gaan tenzij naar God de Heer?“.

De reden waarom dit zo is, is het feit dat beide liefdes elkaar insluiten en niet van elkaar te scheiden zijn. Daarom is het voldoende om maar één van de twee geboden te vernoemen. Steunend op het gezag van Paulus en Johannes komt Augustinus tot de conclusie dat de heilige Schrift niet zonder reden gewoonlijk maar één gebod voor beide geboden vermeldt. Augustinus geeft zélf de reden aan: “Waarom vermeldt Paulus zowel in zijn brief aan de Galaten als in die aan de Romeinen alleen maar de liefde tot de naaste? Komt dat niet omdat men de liefde tot God zo moeilijk kan testen en omdat de mensen zichzelf zo gemakkelijk bedriegen, wanneer het gaat om de liefde tot God? Waar het gaat over de liefde tot de naaste kan men veel gemakkelijker tot de overtuiging komen dat men God niet echt bemint, wanneer men anderen onrechtvaardig behandelt. Door het gebod van de naastenliefde wordt men bewust gemaakt van de eigen fouten. Sommige Galaten bedrogen zichzelf door te denken dat zij God liefhadden. Zij toonden duidelijk aan dat dit niet waar was vanwege de haat die er bestond tussen broeders en zusters“. Zo is de liefde tot de naaste de tastbare norm voor onze liefde tot God, want haar praktische aard sluit elk zelfbedrog uit. De liefde tot de naaste is het meest concrete middel om uitdrukking te geven aan onze liefde tot God.

 

II. De hele Christus

1. Tezamen één lichaam
Als het enige woord van de heilige Geest in de Schrift zou zijn: God is liefde, dan zou dit absoluut voldoende zijn en hoefden we niets anders te zoeken“. Volgens Augustinus was de voornaamste reden van de Menswording de liefde van God, waardoor Hij ons zijn Zoon geschonken heeft. Zo werd de Zoon de incarnatie van Gods liefde. Maar als God liefde is, dan volgt daaruit dat Hij niet veraf wilde blijven zonder enige relatie met de wereld van de mens. Liefde vraagt om gemeenschap. God de Vader bracht een enige Zoon voort, maar wilde niet dat zijn enige Zoon alleen bleef. God gaf Hem alle mensen als broeders en zusters. Christus staat in een allesomvattende relatie met de hele mensheid, omdat zijn liefde uitgaat naar iedere mens zonder enige uitzondering. In de liefde ontdekken we steeds een dubbele beweging: het verlangen om één te worden met de geliefde, en van de andere kant het bewaren van enige afstand uit eerbied voor de identiteit van onszelf en van de beminde persoon. Liefde mondt uit in een wederkerige aanwezigheid zonder vernietiging van de ander. Zo is een vriend aanwezig in een vriend, een man in zijn vrouw, een moeder in haar kind. Ook Christus vereenzelvigt zich met alle mensen en is in allen aanwezig. Augustinus noemt deze vereniging: de hele Christus. Daarbij steunt hij op Paulus’ leer van de relatie tussen Christus als Hoofd en ons als zijn Lichaam: “Juist zoals het lichaam een eenheid is maar vele ledematen heeft, waarbij alle ledematen, hoe vele het ook mogen zijn, tezamen toch één lichaam vormen, zo is ook de Christus” (1 Kor. 12,12). De éne Christus omvat zowel het Hoofd als de ledematen van het Lichaam, en deze vereniging is zo intiem als die welke heerst in een levend lichaam. Zo neemt Christus deel aan ons leven, en wij aan het leven van Christus.

2. Eer God in elkaar (Regel van Augustinus)
Omdat God en Christus samengaan, zijn vele dingen men van Christus zegt ook toepasbaar op God. De weg om zich één te voelen met alle mensen, is zich met hen één te weten in een hogere gemeenschap, namelijk met God, omdat God er voor alle mensen is. Elke mens vormt een plaats waar God aanwezig is. Iedereen behoort toe aan God die van allen houdt. Als wij alle mensen liefhebben, dan eren wij God. Alleen wanneer mensen voor elkaar zusters en broeders worden, zijn ze de nieuwe tempel van God, dat wil zeggen: de plaats van Zijn tegenwoordigheid, want God woont op een bijzondere manier onder ons door de liefde. Voordat wij spreken van een kerkgebouw als de verblijfplaats van God, moeten wij naar onszelf kijken: “Dit kerkgebouw is het huis van ons gebed, maar het werkelijke huis van God zijn wijzelf. Slechts wanneer wij met elkaar in liefde verbonden zijn, vormen wij tezamen het huis van de Heer“. Zo zijn de liefde tot God en de liefde tot de naaste dus géén naast elkaar concurrerende handelingen, maar omvatten elkaar in één grote dynamische beweging.

3. Christus in de armen
Augustinus vindt voornamelijk in twee teksten inspiratie: “Heer, wanneer hebben wij U hongerig gezien en U te eten gegeven, of dorstig en U te drinken gegeven? En de koning zal antwoorden: ‘Amen, Ik zeg u: al wat u gedaan hebt voor een van de geringsten van de mijnen, dat hebt u voor mij gedaan” (Mat. 25,37-40) en “Saul, Saul, waarom vervolg je mij?” (Hand. 9,4). In verband met deze laatste tekst merkt Augustinus op dat de verrezen Christus niet zegt: waarom vervolg je mijn leerlingen, maar wél: waarom vervolg je mij? Zo’n diepe identificatie van Christus met de armen, de onderdrukten, de uitgestotenen en de vervolgden betekent voor Augustinus de volle erkenning van hun menselijke waardigheid. Voor hem is zeggen “Wees trouw aan Christus in zijn armoede” gelijk aan “Wees trouw aan uw naaste in zijn armoede“. Mat. 25 toont Augustinus hoe Christus nog altijd in deze wereld aanwezig is en hoe de gelovigen Hem kunnen vinden. Het lijden en de armoede van Jezus Christus worden voortdurend weerspiegeld in het leven en in de geschiedenis van lijdende en onderdrukte mensen. Gedurende deze pelgrimstocht op aarde voedt men de hongerige Christus, laaft men de dorstige Christus, kleedt men de naakte Christus, heet men Christus welkom in de vreemdeling, bezoekt men Christus in de zieken. Als mensen in nood verkeren, dan is Christus in nood. “Ga de straat op. Christus de vreemdeling is niet afwezig. Denk je dat je niet het voorrecht had Christus te verwelkomen? Je vraagt je af: hoe is het mogelijk Hem te verwelkomen? Luister: ‘wat je gedaan hebt voor de geringste van de mijnen, dat heb je voor mij gedaan’. Hij die rijk is, is niettemin behoeftig tot aan het einde der tijden. Hij is werkelijk in nood, niet als Hoofd, maar in zijn ledematen“.

4. Keuze voor de armen
Wij zijn de dienaren van Christus’ Kerk en vooral van de meest zwakke ledematen van de kerk, ongeacht wat voor ledematen wijzelf zijn aan dat lichaam“. Deze woorden tonen duidelijk Augustinus’ diepe stellingname voor de armen en machtelozen. Sommige onlangs ontdekte brieven onthullen veel over de sociale inzet van de bisschop van Hippo. Daar lezen we hoe hij de keizer smeekt om een nieuwe wet uit te vaardigen tegen de slavenhandelaars. Daar zien we hem heel kwaad omwille van de verkoop van kinderen als slaven. De christelijke keizers hadden dit voor de duur van 25 jaar toegestaan om te verhinderen dat arme ouders hun pasgeborenen zouden vermoorden omdat ze niet in staat waren hen te voeden. Augustinus protesteerde heftig tegen dit kindermisbruik omdat die 25 jaren slavernij gewoonlijk leidde tot levenslange slavernij. Als bisschop bekommerde hij zich ook om de vele weeskinderen en probeerde te verhinderen dat ze bestolen werden door vreemden. Ook zorgde hij voor opname en onderdak voor vondelingen. Met het oog op de armen was het in de kerk van Hippo gebruikelijk alle mensen zonder uitzondering te helpen, ongeacht wie of wat zij waren: niet-christenen, prostituees of vechters in de arena. Augustinus zegt dat hij het niet eens is met de tekst “Wees mild, maar help de zondaar niet” (Sir. 12,4-7) en geeft als commentaar: “Laat ons hen behandelen met menselijke waardigheid want zij zijn menselijke wezens. Heb medelijden met de conditie die ons allen gemeenschappelijk is“.

 

III. Vriendschap en leven in gemeenschap

1. Wederzijdse liefde
Augustinus was zeer sociaal voelend en had een vriendelijk karakter. Hij wilde nooit alleen zijn, en bijna zijn hele leven bracht hij door in het gezelschap van vrienden en bloedverwanten. Geen enkele christelijke denker uit de kerk der eerste eeuwen had zich zo beziggehouden met het doorgronden van menselijke relaties dan hij. Reeds in zijn jeugd legde hij de basis voor een aantal blijvende vriendschappen. Een mooie passage uit zijn “Belijdenissen” beschrijft deze als volgt: “In de omgang met vrienden waren er vele andere dingen dingen die mijn hart nog meer verheugden: samen praten, samen lachen, elkaar met voorkomendheid behandelen, samen mooie boeken lezen, samen gekheid maken en ernstig zijn, het soms met elkaar oneens zijn zonder verbittering, zoals men het soms oneens is met zichzelf, en dan met die zeldzame onenigheid de haast gestage eensgezindheid kruiden, aan elkaar iets leren of van elkaar iets leren, afwezigen met tegenzin missen en de thuiskomenden met blijdschap ontvangen. Deze en dergelijke tekenen die uit het hart komen van mensen die liefhebben en wederliefde schenken, en die weerspiegeld worden door gelaat, tong, ogen en duizend andere trekjes van hartelijkheid, waren als brandstoffen die onze harten aaneensmeden, zodat vele harten tot één hart samensmolten“.
Dit was het wat hij liefhad in zijn vrienden. Hij voelde zich schuldig als hij de persoon die hem liefhad, zelf niet liefhad, en als die liefde niet wederkerig was. Beminnen en bemind worden, liefde geven en liefde ontvangen, kortom wederkerige liefde, was Augustinus’ definitie van vriendschap. De maat van waarachtige vriendschap is niet tijdelijk voordeel, maar onbaatzuchtige liefde, steunend op een zekere gelijkheid van karakter, ideeën, belangstelling en inzet.

2. Grenzen van de menselijke vriendschap
De menselijke natuur bezit twee grote natuurlijke goederen: het huwelijk en de vriendschap. In een andere tekst zegt Augustinus dat er twee dingen fundamenteel zijn voor het menselijk leven, namelijk het leven zélf en de vriendschap. Beide zijn geschenken van de natuur. God schiep de mens zodat hij zou bestaan en leven. Maar opdat de mens niet eenzaam zou blijven, bestaat er ook vriendschap. Als iemand elke vriendschappelijke verhouding zou willen verbieden, dan moet hij er zich wel rekenschap van geven dat hij daardoor alle relaties tussen mensen verstoort. Trouw, vertrouwen, waarheidszin en stabiliteit zijn de belangrijkste eigenschappen van vriendschap. Toch zijn alle menselijke dingen vergankelijk; Augustinus werd zich daarvan intens bewust bij de dood van een jeugdvriend. Het verlies van die vriend dreef hem niet tot de ontkenning van de waarde van vriendschap, maar toonde hem wel dat vriendschap gegrond moet zijn op de liefde tot God want “alleen hij verliest niets wat hem lief is, omdat alles geliefd wordt in God, die men niet verliezen kan“. Niet alleen de dood echter kan een vriend uit ons midden wegrukken; ook menselijke zwakheid en onstandvastigheid kunnen een vriendschap doen omslaan in ontrouw, gemeenheid of zelfs haat. Daarom zoekt Augustinus de basis voor trouw en standvastigheid onder vrienden in God en in Christus. Hij onderschrijft Cicero’s definitie van vriendschap: “Vriendschap is overeenstemming in alle menselijke en goddelijke dingen, met welwillendheid en liefde“.

3. Vriendschap in het religieuze leven
In tegenstelling tot vele stichters van religieuze gemeenschappen gaf Augustinus een belangrijke plaats aan vriendschap in het religieuze leven. Hij leerde zijn jonge monniken dat ze niet verplicht waren onmiddellijk iedereen zomaar in hun vriendschap op te nemen, maar dat het wel hun wens moest zijn met iedereen in vriendschap te leven. Ze moesten zo met anderen omgaan dat die mogelijkheid steeds open bleef. Ook al kunnen wij nooit helemaal tot het allerdiepste van een ander doordringen, dan nog blijft het een feit dat “Men niemand werkelijk kan kennen behalve door vriendschap“. En als zijn monniken hem vroegen wanneer zij iemand een vriend konden noemen, antwoordde hij: “We kunnen een andere persoon pas ten volle als vriend beschouwene, wanneer wij die ander al onze diepste gedachten en gevoelens durven toevertrouwen“. Voor zichzelf zag hij vriendschap als een hulp en een vertroosting, ook in het klooster: “Ik beken het, gemakkelijk werp ik mij helemaal in de liefde van vrienden en zonder zorgen rust ik in haar, vooral wanneer ik moe ben van de ergernis van deze wereld. Want ik voel dat God daar is, en in Hem werp ik mij veilig en rust ik veilig. In deze zekerheid van de liefde vrees ik ook niet het onzekere van morgen, het onzekere van de menselijke broosheid, waarover ik eerder in deze brief geklaagd heb … Wat ik van mijn gedachten en gevoelens toevertrouw aan een trouwe vriend, die vervuld is van christelijke liefde, vertrouw ik niet toe aan een mens, maar aan God, want die mens verblijft in God die hem zo vriendelijk maakt. ‘God is immers liefde. En wie in de liefde blijft, blijft in God en God in hem’ (1 Joh. 4,16)“.

4. De invloed van Augustinus’ vriendschapsideaal
In West-Europa, vooral in Engeland en Noord-Frankrijk, hadden Augustinus’ opvattingen over vriendschap een sterke invloed op het het middeleeuwse kloosterleven van Cluny en op de Cisterciënzers, met name op Petrus Venerabilis, Bernardus van Clairvaux, Aelred van Rievaulx, en Petrus van Celle. In de 15de eeuw werd vriendschap als ideaal uit de religieuze gemeenschappen gebannen, omdat men ervan overtuigd was dat vriendschap onder religieuzen de integriteit van het leven in een religieuze gemeenschap ondermijnde en haar in stukken bracht.

 

IV. Contemplatie en actie

1. Drie levenswijzen
In zijn boek “De stad van God” gaat Augustinus in op drie levenswijzen: de contemplatieve, de actieve en een mengvorm van beide. Zijn voorkeur gaat uit naar de mengvorm, contemplatie gecombineerd met een actief beroep. Niemand mag zo in contemplatie opgaan dat hij niet meer bedacht is op het voordeel van de naaste; evenmin mag men zo in de actie opgaan dat men de contemplatie van de goddelijke waarheid verwaarloost. Contemplatie is niet louter een intellectuele bezigheid, want zij bestaat in het liefhebben van en zoeken naar God; en wel op zo’n manier dat de zoeker de vrucht van zijn contemplatie niet voor zichzelf behoudt, zonder anderen erin te laten delen. Zo heeft het beschouwende leven een eigen verantwoordelijkheid. Zelfs de meest zuivere contemplatie kan men niet beschouwen als totaal losgemaakt van alle activiteit.

2. Het actieve leven als groter gevaar
Het onbaatzuchtig karakter van het religieuze leven moet uitdrukkelijk aanwezig zijn in het actieve leven, dat nooit een vorm van zichzelf-zoeken mag zijn. Het moet altijd bijdragen tot het welzijn van anderen. In de tekst uit “De stad van God” geeft Augustinus iets weer van zijn eigen evolutie. Hij gaf de voorkeur aan een leven van onderzoek in de schatkamer van de Heer “als niets aangenamers en niets beters“, vrij van de trammelant rondom hem. Niettemin werd hij geconfronteerd met de eisen van het volk om een actief ambt te aanvaarden, omdat “een overvloed van onrecht de liefde van velen verkoelt“. In zijn ogen betekende het pastoraat een groter persoonlijk gevaar, omdat het gemakkelijk op een oppervlakkige wijze en bedorven door vleierij uitgeoefend kan worden. Hij kende een aantal bisschoppen en had hen vaak streng bekritiseerd, omdat hij zichzelf beschouwde als meer geleerd en beter dan zij. Vanaf het moment dat hij het priesterschap zag als een publiek en sociaal ambt, stond hij voor de vraag hoe hij zijn eigen geloof aan anderen tot hun redding kon aanbieden, zonder uit te zijn op enig eigen voordeel, maar alleen ten bate van de grote menigte. Hij wenste niet, zegt hij, een bisschop te zijn die op zijn troon zit als een vogelverschrikker die zijn taak vervult door onbeweeglijk in een veld te staan.

3. Christen en dienaar
Augustinus maakt steeds een onderscheid tussen christen-zijn en een pastoraal ambt bekleden. Hij is een christen op eigen verantwoordelijkheid voor zichzelf, maar hij is een pastor om de belangen van anderen te dienen. Omdat de taak van beiden, zowel van de clericus als van de gelovige, er in de eerste plaats in bestaat een goed christen te zijn, is er geen absolute kloof tussen beiden. Augustinus houdt zijn volk steeds voor: ook wij zijn tezamen met jullie schapen; ik ben jullie mededienaar, jullie medewerker in de wijngaard van de Heer, jullie medeleerling in dezelfde school van Christus. In een van zijn preken zegt hij heel duidelijk: “Wat wil ik? Wat wens ik? Wat verlang ik? Waarom spreek ik? Waarom zit ik hier? Waarom leef ik? Alleen met deze bedoeling: dat wij samen mogen leven met Christus. Dat is mijn verlangen, mijn eer, mijn vreugde en mijn weelde. Ik wil immers niet gered worden zonder jullie”. Het gewijde ambt is dus geen kwestie van eer of van macht, maar van dienstverlening. De uitdrukking “dienaar van de dienaren van Christus“, die later gebruikt werd door de pausen, stamt van Augustinus. Zijn geliefkoosde omschrijving van het gewijde ambt was steevast “last“, de last die een soldaat moest meezeulen op zijn rug. Het apostolaat is eerder een dienst van onderricht dan van bevelen, van aansporing dan van bedreiging. Bovendien mogen we niet uit het oog verliezen dat Augustinus de taak van een priester of bisschop steeds beschrijft als volgt: hij is een bedienaar van woord en sacrament. Deze volgorde is geen louter toeval, want hij was ervan overtuigd dat de verkondiging van het woord een moeilijkere taak was dan het toedienen van de sacramenten.

4. Maria en Marta
Hoe belangrijk pastoraal werk, ondernomen uit liefde tot God en de naaste, ook is, men kan het niet volbrengen zonder een leven van contemplatie, gebed en studie. Een goede pastor moet eerst een goed hoorder zijn van het woord voordat hij het kan spreken. Hij moet leven zoals hij spreekt, en spreken zoals hij hoort. Luisteren naar het goddelijke woord is een aspect van contemplatie. Op de hoogten van de berg zal de pastorale werker, evenals de apostel Petrus, licht ontvangen en geestelijk voedsel om die dan uit te delen aan anderen. De bekoorlijke en mooie Rachel is voor Augustinus het beeld van contemplatief leven, en de slecht ziende, maar wel vruchtbare, Lia is het beeld van de zwoegende verkondiger. Op eenzelfde manier is Maria beeld van contemplatie en Marta van pastorale arbeid. Augustinus weigert Jezus’ woorden tot Marta “Marta, Marta, wat maak je je bezorgd en druk om veel dingen … Maria heeft het beste deel gekozen” (Luc. 10,41-42) op te vatten als een verwijt. “Hoe kon Jezus Marta iets verwijten, die blij was zo’n verheven gast te mogen ontvangen? Als dit een verwijt zou zijn, dan zou er niemand meer zijn om voor de noodlijdenden te zorgen. Iedereen zou het beste deel kiezen en zeggen: laat ons al onze tijd besteden aan het beluisteren van het woord van God. Maar als dit zou gebeuren, dan zou er niemand meer zijn om voor de vreemdeling in de stad te zorgen, of voor iemand die brood en kleding nodig heeft, niemand om de zieken te bezoeken, niemand om gevangenen te bevrijden, niemand om de doden te begraven. Werken van barmhartigheid voor mensen in nood zijn een noodzaak hier op aarde“.

 

 

TERUG naar OVERZICHT